donderdag 28 oktober 2010

Haai

Als de haai slaapt (2005) van de Italiaanse Milena Agus leest vlotjes weg op een regenachtige grijze herfstmorgen als die het vanochtend was. Heel korte hoofdstukjes van anderhalf tot vier pagina's, hooguit. En tegelijk denk je voordurend, bij de eenvoudige zinnen, de taal van de vertelster, een zo ongeveer 17-jarig meisje, stel ik me erbij voor, in een klein Italiaans dorpje: léés ik dit nu echt?

Aanvankelijk heeft het de sfeer van de boeken van Natalia Ginzburg. Rustig, traag, eenvoudige beelden. Een dorp, een familie, ze komen al vertellend vanzelf aan bod: moeder, vader, tante, broer, opa, oma, de dorpsdokter. En dan ineens in hoofdstukje 4 dat 'Hij' heet en 2 pagina's beslaat, blijkt zij het te doen in een rijdende auto. En ze wordt geslagen met een zweepje. En ze moet bevelen opvolgen. En ze krijgt alle martelwerktuigen cadeau en is daar heel blij mee. En als ze beide een keer 100 zweepslagen hebben doorstaan, dan zijn ze allebei ontroert en moeten huilen.

Een nogal heftig boekje, dus. Op het einde van het boek belandt ze in het ziekenhuis met inwendige bloedingen. Maar er wordt ook op een simpele wijze gefilosofeerd over het bestaan van God en de betekenis van de wereld in het algemeen. Is die mooi? Of is die lelijk? Wat is echte liefde? De haai, die is overal. Maar als de haai slaapt, zoals de titel van het boek, dan is de wereld mooi. Een citaat maar, om te bewaren, een nieuw soort Godsbewijs. Met name het woord ALLES in de tweede zin, heb je heel letterlijk te nemen.

We hadden het alleen niet begrepen. Alles was mooi omdat ik van hen hield. En ik had in mijn leven geen andere mensen dan hen willen ontmoeten. En eindelijk begreep ik dat God helemaal niet dom is en dat hij heel goed weet wat hij doet. En het is ook niet waar dat er geen manier is om op mooie plekjes te komen en dat we er niet van kunnnen genieten. In plaats van de weg met de ravijnen ging ik de andere kant op, naar Cia waar kilometers lange duinen zijn met fijn zand. Ik parkeerde mijn Vespa onder een afdakje en rende over een van die geurende paden.
Mirte. Kerrieplant. Jenever. Rozemarijn. Zelfs de schrale distelbloemen wedijverden met de kleur van de seringen, terwijl ze onder de stenen vandaan kropen.
Zo trof ik, een klein en onbeduidend stipje in het universum, voorbereidingen om te genieten van al Gods heerlijkheden in de ware betekenis van het woord. Bij de duinen aangekomen ging ik zitten, trok mijn schoenen uit en keek naar de helling van wit zand waarlangs ik me zachtjes in het water zou laten glijden, eindeloos helder blauw water. God was niet alleen niet dom, hij was gewoon geniaal.