donderdag 11 maart 2021

Boshuisje-leven

Een groot genoegen van wonen in mijn boshuisje is de relatieve eenvoud waarmee alles geschiedt, hoe je de dingen anders doet en op nieuwe dingen komt. De wortels daarvan zitten in mijn camping-ervaring: leven in een tent en elk stukje grond daarvan optimaal benutten. En de haarvaten daarvan gaan weer terug naar toen ik een kind was en elke avond in bed een knus plekje maakte voor mijn knuffelbeesten, hoe ze op een rijtje naast elkaar, elk een eigen wereldje vormden en ik elk even gedag zag en aandacht gaf, voordat ik ging slapen.

Het boshuisje is dan de MAX aan luxe, het is als een paleis zo groot en luxe, in verhouding tot een tent. Maar er zijn wel dezelfde soort principes als bij het tent-leven. Ik doe de was met de hand, in één was alle onderbroeken of twee t-shirts tegelijk. Hier ontdek ik dat één laken per dag of één spijkerbroek ook kan. En dat doe ik met opgevangen regenwater in een emmer en flessen, dat ik warm maak in de waterkoker. Tot nu toe heb ik daarvoor  genoeg regenwater, maar in de zomer zal het misschien weer kraanwater worden.

Rondom koken zijn de recepten in het campingleven zo eenvoudig mogelijk: eenpansgerechten of via de hooikistmethode overdag rijst maken: een pannetje in mijn slaapzak wikkelen. Hier in mijn boshuisje slaap ik alleen onder de uitgeritste slaapzak en doe er geen pannetje tussen; ik heb hier vier pitten tot mijn beschikking in plaats van maar één, in de tent. Toch eet en kook ik zo eenvoudig mogelijk en het smaakt me, net zoals bij het kamperen altijd uitstekend. Het is net alsof de extra smaakmaker dat genoegen is dát  je een maaltijd kunt bereiden en dat je die zo’n beetje in de natuur opeet.

Hier heb ik het Braadkuiken uitgevonden, die tegemoetkomt aan twee genoegens: kunnen kluiven aan de botjes en een beetje vlees. Met één braadkuiken kan ik bijna vijf maaltijden bereiden: de eerste dag bestaat altijd  uit de twee grote poten, heel Nederlands met gebakken aardappels en appelmoes en eventueel sla. Die pootjes zijn veel malser dan bij een grote kip, want jong. Dan komt de dag dat ik iets doe met het kipfilet en dat kan iets Oosters of Indonesisch zijn met rijst, of in en bij een pasta, of gewoon wéér lekker Nederlands met een roomsausje en wat champignons ofzo. Vervolgens zit er nog genoeg vlees aan het karkas en zijn er nog de twee kleine kluifjes: die wok ik, tezamen met groenten en bijvoorbeeld een teriyakisaus met mie. Dan zijn er nog de lever, het hart en de ruggenwervel  in een apart zakje waarmee ik ik een maaltje bereid met uien, geraspte wortel, gekonfijte gember, tomatenketchup en zoete chilisaus. Tussentijds bewaar ik alle botjes en die doe ik met het geraamte in een pannetje en daar trek ik soep van door deze de hele dag op de kachel te zetten. Resultaat: voor € 3,05 heel veel eetplezier.

Tijdens de storm overdag, gisteren, voel je ook dat je in de natuur leeft. In een tent ben je altijd bezorgd voor het waaien en of deze het wel houdt, dat hoeft niet in het boshuisje, dacht ik gisteren en verwonderde mij dat het binnen windstil is terwijl de toppen van de bomen om mij heen alle kanten opzwiepten en ik de wind door de kachelpijp hoorde. Totdat iets van een tak toch de buitenkant raakt, je even opschrikt, want dat klinkt héél dichtbij. Het blad waaide en danste alle kanten uit, ik zag de koolmeesjes razendsnel duikvluchten nemen en via de takjes omhoog krabbelen, bij flarden zon  jagen de wolken tussen de bomen en op het einde van de middag was er kort een regenboog. 

Al het oude eikenblad uit de tuin van de buren was in hopen mijn terras opgewaaid en dat hark je dan weer weg. Ik zag bij de andere buren dat een raampje van hun caravan openging  en dat heb ik weer dichtgeklapt. En zo heb ik dan best een interessante dag op de 30 vierkante meter, binnen in mijn boshuisje.