maandag 21 maart 2011

Godenslaap

Zaterdagavond Boekenclub en we lazen o.a. GODENSLAAP van Erwin Mortier. Genomineerd geweest voor de NS Publieksprijs voor boek van het jaar 2010. Dat het genomineerd is vind ik wel opwekkend omdat ik er niet over uit kon dat het jaar tevoren in 2009, het boek Het Diner van Herman Koch had gewonnen. Ik vond dat zo'n akelig boek! Hoe dat in het werk gaat , wie de nominaties selecteert, geen idee. Ik begrijp wel dat een kernjury van 300 mensen bestaande uit lezers zoals U en ik, uiteindelijk de winnaar kiezen.

Godenslaap heeft niet gewonnen en dat zegt wellicht iets over het lezerspubliek, dat ook dit jaar aan het slapen was. Hopenlijk zegt de nominatie dan iets over het wakkere inzicht van de nominatiejury, want de boekenclub was het met elkaar eens: Godenslaap is een prachtig boek, dat diep bij je naklinkt en daardoor ook werelden uit andere boeken oproept. Het juryrapport van de AKO Literatuurprijs spreekt over: 'Een homerisch epos waarin de Eerste Wereldoorlog mytische, universele allures krijgt.'

Het is echt heel, heel mooi. Dat komt doordat de hoofdpersoon, een oude vrouw op het randje van de dood, zich bewust is wat taal vermag. Zij kijkt terug op de eerste wereldoorlog waar ze een jong meisje was en te midden van de dood en de vernietiging, de liefde leert kennen. Toch haalt zij niet zomaar herinneringen op. Zij trekt als het ware uit haar eigen woorden, het leven van nu tevoorschijn. Het woord gaat leven, door het woord is er leven. Zoals het evangelie van Johannes ook begint: In het begin was het Woord. En het woord was bij God.

Ik doe twee citaten die tesamen hopenlijk verwijzen naar die andere laag in de werkelijkheid, waar je sensitiever voor wordt door het boek van Edwin Mortier te lezen:

Je hebt mensen wier bestaan een vrijwel zuivere toon belichaamt, of liever, in wier bestaan het leven zich met de sonoriteit van een Stradivarius kan verklanken, levens die het mysterie omvatten van wat het is om een mens te moeten zijn, en je hebt andere die nooit veel meer zullen voorbrengen dan het schrille getoet van een toondoof kind op de goedkoopste blokfluit.
(blz. 15)

Ik heb de dingen te weinig geheiligd. Ik heb ze niet genoeg gezalfd. Ik heb de mystiek van hun alledaagsheid verraden. Ik hoop maar dat het niet een van die gedachten is die ik per abuis hardop uitspreek, het overkomt me steeds vaker de laatste tijd. (blz. 93)

De mystiek van de alledaagsheid, daar gaat het om. Het bewustzijn dat hier verwoord wordt: Dat erover hardop spreken tegenover mensen die daar niks mee hebben, tegelijk die mystiek van de alledaagsheid kapot maakt, sonoriteit die dan verwordt tot schrille klanken, dat zij dit gewaar is, dat vind ik zó ontroerend.